Columns

De rogge stoof In dee wolke van stoefmel gunk nen därden vuurbi-j

Kiek toch’s, aflevering 1

Antonij Pieter van der Moolen (1879-1979) uit Ambt Delden was Hoofd van het Eschschooltje. Het stond even buiten Delden en werd in 1969 afgebroken. Van der Moolen was in meerdere opzichten een onderwijzer van de oude stempel: steeds in het pak, met een hoed en op een zwartstatig rijwiel. Later was hij leraar aan een landbouwschool. Hij maakte gedichten waarin zijn geloof in God duidelijk uitkwam en hij vertaalde psalmen en religieuze gezangen in het Twents. Met de overzetting van ‘Abide with me, fast falls the eventide’ liet hij zien hoe goed hij de Twentse sfeer kon raken. ‘Goa, Heer, nig hen waant d’oavend is noabi-j /Het duuster slot um miej zien doonker sluu-j,/Mien röst en dörf, mien oavermood, woar zu-j?/Helper van hulpeloozen, help’ ook mi-j.’

 

Iedere poëziegenieter beleeft gedichten op zijn eigen manier. Soms maakt een gedicht een zodanige indruk dat je nog precies weet wat je dacht toen je het de eerste keer las. Dat overkwam me dik tien jaar geleden met Van der Moolens gedicht ‘De rogge stoof’. Ik had nog nooit gehoord van Van der Moolen, maar na het lezen van dit gedicht wilde ik weten wie de dichter van dit mystieke werkstuk was. Rogge zijn we in het Twentse landschap jarenlang kwijt geweest. Het maakte plaats voor maïs, dat ook mooie dingen met het Twentse landschap doet, maar toch… De laatste jaren verschijnen her en der weer wat roggeakkers die op hoogzomerdagen kunnen stuiven. Van der Moolen ving dat ooit in woorden. Ik las het en werd aangenaam getroffen door de verklaring die de dichter geeft voor het verschijnsel.

 

De rogge stoof

 

’t Was op nen Junimorgen

Dat hóóg op ’n Esch ik stun

Ik was doar alléén met de rogge,

De westewind en de zunn.

 

De hälme bogen eerdoanig

Was dat vuur de weend of vuur mi-j?

Of gunk in dee wolke van stoefmel

Onzichtboor nen därden vuurbi-j?

 

Ik veulde mi-j midden in ’t woonder

Wee was toch vuurbi-j doar egoan?

Ik vreug ’t an de rogge, dee zweeg of

De vroage zee nig har verstoan.

 

Ik vreug ’t an de weend en de zunne

Dee gaffen mi-j ook gin bescheed,

’t Was mi-j net, as of ik ezeen har

Nen tip van de Godheid zien kleed!

 

A.P. van der Moolen

Uit: Mr. G. J. ter Kuile Sr., Onze Overijsselsche Religieuze poëzie, 1946

 

 

De rogge stoof

 

’t Was op een junimorgen

Dat hoog op de Esch ik stond

Ik was daar alleen met de rogge,

De westenwind en de zon.

 

De halmen bogen eerbiedig

Was dat voor de wind of voor mij?

Of ging in die wolk van stuifmeel

Onzichtbaar een derde voorbij?

 

Ik voelde mij midden in ’t wonder

Wie was toch voorbij daar gegaan?

Ik vroeg ’t aan de rogge, die zweeg of

ze de vraag niet had verstaan

 

Ik vroeg ’t aan de wind en de zon

Die gaven mij ook geen bescheid,

’t Was (voor) mij net, alsof ik gezien had,

Een tip van het kleed van de Godheid!

Uw reactie